Nederland zoekt naar richting. Terwijl het nieuws van de dag steeds vaker het beleid bepaalt, groeit de behoefte aan rust, langetermijndenken en perspectief. Voor Aedes-voorzitter Liesbeth Spies was dat precies de reden om zich aan te sluiten als partner en bestuurslid van Nederland 2040. In dit gesprek vertelt ze over de kracht van coalities, waarom wonen zo veel meer is dan een huis. ‘Corporaties bouwen mee aan gemeenschappen van de toekomst. Daarbij moeten we preventie als verdienmodel gaan zien’.
Beeldcredits: Aedes/ Veerle Haan
Nederland zoekt naar richting. Terwijl het nieuws van de dag steeds vaker het beleid bepaalt, groeit de behoefte aan rust, langetermijndenken en perspectief. Voor Aedes-voorzitter Liesbeth Spies was dat precies de reden om zich aan te sluiten als partner en bestuurslid van Nederland 2040. In dit gesprek vertelt ze over de kracht van coalities, waarom wonen zo veel meer is dan een huis. ‘Corporaties bouwen mee aan gemeenschappen van de toekomst. Daarbij moeten we preventie als verdienmodel gaan zien’.
Sinds januari ben je met Aedes partner van Nederland 2040. Met welke motivatie?
‘Het boek van de denktank (Nederland 2040: een toekomstbeeld, red.) ligt hier nog steeds op tafel. Ik heb het met buitengewoon veel plezier gelezen. Wat mij vooral aanspreekt, is de kracht van coalities. Nederland is groot geworden door polderen. Alleen kom je best ver, maar samen kom je tot betere oplossingen. Wat de denktank laat zien, is dat je met een groep mensen met verschillende achtergronden en expertises tot een collectief beeld voor 2040 kunt komen. En misschien nog wel belangrijker: het dwingt ons om uit de dagelijkse hectiek te stappen en aan de lange termijn te denken.’
Dat lijkt moeilijk te lukken, als je naar het maatschappelijk debat kijkt.
‘We zijn het een beetje verleerd. We worden gegijzeld door de korte termijn en de actualiteit van de dag. Iedere actualiteit benoemen we al snel tot crisis, en daar maken we dan meteen beleid op. Dat leidt tot pleisters plakken. Terwijl waar Nederland naar snakt, is consistent beleid op de lange termijn. Weten waar we aan toe zijn. Het boek van Nederland 2040 is wat dat betreft een dappere poging om die valkuil te vermijden en een langetermijnbeeld neer te zetten waar we naartoe kunnen werken.’
Je hebt het over samenwerking. Bedoel je dan tussen sectoren, of tussen links en rechts?
‘Ik vind links en rechts eigenlijk achterhaalde begrippen. De werkelijkheid is veel complexer. Voor woningbouw heb je infrastructuur nodig, voorzieningen, scholen, verenigingen. Je bouwt niet alleen huizen, je bouwt een leefomgeving. We kunnen die vraagstukken niet meer los van elkaar zien. Als waterschappen hun werk niet doen, hebben wij problemen met funderingen. Als mobiliteit niet op orde is, kun je ergens niet wonen. Dus samenwerking zit eigenlijk in ons DNA – en is tegelijkertijd de grootste opgave.’
Wat is het grootste toekomstvraagstuk op het gebied van wonen?
‘Behalve het woningtekort zien we nu dat de bestaande voorraad niet altijd meer aansluit. Veel eengezinswoningen, terwijl huishoudens kleiner worden. Dus we hebben ook behoefte aan appartementen, aan woningen dichtbij voorzieningen. Als je dat niet goed op het netvlies hebt, bouw je vandaag de verkeerde woningen. En daar komt nog bij: het tekort op de arbeidsmarkt. Na 2030 gaan veel mensen met pensioen. Dus we moeten sneller overstappen op fabrieksmatige woningbouw en innovatie om minder afhankelijk te zijn van arbeid. Dat gaat wat mij betreft nog niet snel genoeg.’
Waarom?
‘Er heersen veel vooroordelen over conceptuele bouw. Dat het lelijk zou zijn, dat je er geen eigen uitstraling aan zou kunnen geven. Dat klopt niet. Er zijn prachtige voorbeelden van woningen die nu van de fabriek komen en die we nu laten certificeren. Een woning is, zoals de denktank ook schetst in het boek Nederland 2040, een basisbehoefte en een voorwaarde om een bijdrage te kunnen leveren aan de samenleving. Laten we die woningen dan snel neerzetten voor al die mensen die nu al veel te lang wachten op een fijne betaalbare woning.’
Over sociale huurwoningen wordt vaak gezegd dat ze niet interessant zijn voor bouwbedrijven, geen interessant verdienmodel.
‘Zo’n 4 miljoen mensen wonen in een sociale huurwoning. En in 2040 zijn nog veel meer van deze woningen nodig. Corporaties zijn grote en heel constante opdrachtgevers en daarmee juist interessant voor bouwbedrijven. Conceptuele woningen kunnen de bouwkostendrukken. De koplopers in deze manier van bouwen zullen daar van profiteren. En straks zullen bouwers wel moeten: er zijn simpelweg te weinig bouwvakkers te vinden. En die bouwplaats heeft het überhaupt al steeds moeilijker door de stikstofnormen voor uitstoot.’
Bij Aedes spreken jullie over ‘wijken die zichzelf terugverdienen’. Wat wordt daarmee bedoeld?
‘Dat is voor mij een heel belangrijk thema. Wij stapelen geen stenen, wij bouwen gemeenschappen. Je kunt woningen zo ontwerpen dat ontmoeting ontstaat: met binnentuinen en gezamenlijke ruimtes. Je kunt bij toewijzing zorgen voor een mix van bewoners. Daarnaast kunnen huismeesters die goed verbonden zijn met zorg en welzijn een rol spelen. En je kunt samen met gemeenten de openbare ruimte zo inrichten dat mensen zich prettig voelen: een groene omgeving is prettig en helpt tegen hittestress. Dat leidt tot gemeenschappen die zichzelf terugverdienen: minder zorgkosten en minder druk op veiligheid.’
Wat is daarvoor nodig?
‘Om dat te bereiken is een integrale aanpak nodig, waarbij verschillende partijen samenwerken. En wat daarbij vooral nodig is, is dat we preventie als verdienmodel moeten gaan zien. Nu zitten we vast in systeemwerelden. Iedereen wordt afgerekend binnen zijn eigen domein. Ik sprak een huisarts die veel mensen met eenzaamheidsklachten zag. Hij ging wandelen met zijn patiënten. Dat werkte, maar het paste niet in het systeem van de zorgverzekeraar. Geen zorgcode, dus geen vergoeding. Dat is Kafkaësk. Terwijl we weten dat dit soort interventies mensen gezonder maakt en uiteindelijk kosten bespaart. We moeten die prikkels anders organiseren.’
Zie je al plekken waar dit goed gaat?
‘Gelukkig wel. Collectieve woonvormen voor ouderen, daar zie je minder zorgkosten en meer welzijn. Corporaties investeren ook vaker in gemeenschappelijke ruimtes. Dat begint bij het ontwerp. De vraag is hoe we dat soort ‘winstpakkers’ structureel kunnen waarderen vanuit een langetermijnvisie. Een mooi voorbeeld zijn de gebieden binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (hierin werken zes ministeries, negentien gemeenten, bewoners en lokale partners aan het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid.) Daar zie je het besef dat dit geen project is, maar een langjarig programma. Want je hebt een generatie nodig om echt verschil te maken.’
Een ander belangrijk thema van de denktank is ‘de grote vereenvoudiging’: het vereenvoudigen van wet- en regelgeving om meer ruimte te maken voor maatschappelijke oplossingen. Zie je daar kansen?
‘Ik zou het dolgraag willen. Maar het vraagt iets moeilijks: dat de politiek op haar handen blijft zitten. Bij een incident ontstaat de reflex om nieuwe regels te maken of om in een ‘overkill’ aan controle en verantwoording te schieten. Allemaal kennen we wel de voorbeelden dat hulpverleners meer tijd kwijt lijken te zijn aan tijdschrijven en administratie dan aan het verlenen van zorg en het geven van aandacht. Laten we afstappen van tal van protocollen en administratie. Vertrouwen in professionals wordt zelden beschaamd.’
Dat klinkt makkelijker gezegd dan gedaan. Wat moet er veranderen?
Er is stoerheid nodig. En leiderschap. We moeten terug naar vertrouwen in professionals. Minder dicht gereguleerd. Accepteren dat er soms iets misgaat. Alleen dan kun je echt vereenvoudigen. Maar als we dat niet doorbreken, blijven we vastzitten in systemen die het goede doen juist in de weg zitten.’
Wat betekent dat concreet voor woningbouw?
‘Dat we tegen allerlei belemmeringen aanlopen. Van stikstof tot netcongestie, maar ook kleine regels die grote impact hebben. Bijvoorbeeld vergunningen die het lastig maken om meerdere mensen in één woning te laten wonen. Of regels rond AOW die samenwonen ontmoedigen. Terwijl dat juist positieve effecten heeft: minder eenzaamheid, minder zorgvraag. Dat soort voorbeelden laten zien hoe de systeemwereld positieve ontwikkelingen op de korte en lange termijn in de weg zitten.’
Als je je ogen dichtdoet en denkt aan 2040, hoe ziet een mooie wijk er dan uit?
‘Naast wat ik genoemd heb, zou ik willen dat wijken diverser van samenstelling zouden zijn. Geen witte villawijken meer waar iedereen op elkaar lijkt, en wijken met veel sociale huur waar ook weer iedereen op elkaar lijkt. Er moet ontmoeting ontstaan tussen mensen met verschillende sociale en culturele achtergronden, want zo ontstaat begrip. En dat is heel hard nodig in een samenleving die heel hard polariseert. De denktank is een voorbeeld van een samenwerkingsverband tussen verschillende mensen en organisaties. Dat moeten we in wijken ook gaan terugzien.’
Tot slot: wat hoop je dat dit partnerschap met Nederland 2040 oplevert?
‘Het boek van Nederland 2040 is geen eindpunt, maar een begin, een richting. En uiteindelijk een uitnodiging aan iedereen om samen te bouwen aan de toekomst van Nederland. Ik hoop dat de denktank ons op onderdelen verder kan helpen. Maar we kunnen de verantwoordelijkheid hiervoor niet bij de denktank leggen. Als partners moeten we het werk van de denktank ook in onze organisaties laten landen. In de meerjarenstrategie van Aedes is leefbaarheid in wijken een belangrijk doel. Maar voor de uitvoering hebben we elkaar nodig: gemeenten, ggz, politie, de wandelhuisarts en de conceptuele bouwer. We moeten het samen doen.’
Meer over partnerschap bij Nederland 2040 vind je op onze partnerpagina.